Verhulst zet heel Brussel op stelten voor één hoog bezoek; Koch kijkt in zijn roman naar een vorstenhuis waar de opvolging wankelt. Allebei lachen ze om het ceremonieel rond een monarchie en om wie er mag meepraten, met een droge, venijnige toon.
Waar Verhulst een hele stad tot waanzin drijft, laat Toole één man dat doen: de opgeblazen Ignatius sleept zijn omgeving mee in zijn grootheidswaan. Even grof en hartelijk tegelijk, alleen draait het hier om één personage in plaats van een land vol ruziënde politici.
Een grote gebeurtenis die een stad op zijn kop zet, gezien door wie er net onder de radar leeft: dat deelt De intrede van Christus in Brussel met deze Moskouse satire van Waterdrinker. Beide boeken drijven de spot met machthebbers, zonder de kleine mensen uit het oog te verliezen.
Wie na de Brusselse hysterie nog meer Verhulst wil, vindt hier dezelfde zwarte humor op kleinere schaal. Geen stad in rep en roer maar één gefrustreerde gepensioneerde die een uitweg zoekt, verteld met evenveel spot en mededogen.
De politici die zich in De intrede van Christus in Brussel op de borst kloppen, krijgen bij Bomans een broer: een minister die zijn eigen leven bezingt als een heldenepos. Ouder van toon en zachter in de spot, maar de opgeblazen bestuurder is net zo herkenbaar.
Verhulst laat zien hoe instanties en vrome verwachtingen botsen met de mensen aan de onderkant. Mizee doet dat van heel dichtbij, met een eigenzinnige jonge vrouw tegenover haar consulent. Kleiner, persoonlijker en net zo grappig.
Net als bij Verhulst begint het met een absurd gegeven dat steeds verder uit de hand loopt. Lubach schrijft vlot en licht, met één Amsterdamse hoofdpersoon in plaats van een hele hoofdstad, maar de humor drijft ook hier op hoe mensen reageren op het onverwachte.
Verhulst prikt door de façade van een stad die zich opdirkt voor de buitenwereld; Kuang doet hetzelfde met de boekenwereld. Een scherpe satire over imago, aandacht en wie er mag spreken, alleen gericht op één ambitieuze schrijver in plaats van een heel land.
Verhulst geeft in Brussel opeens aandacht aan wie anders vergeten wordt; Akyol laat zo iemand zelf aan het woord. Een jongen die nergens bij hoort, verteld met dezelfde rauwe, grappige directheid en zonder ook maar iets te verbloemen.
Hermans stuurt een lange Zeeuwse studente naar Parijs, waar ze in steeds vreemdere situaties verzeild raakt. Net als De intrede van Christus in Brussel een komische roman met een ondeugende blik op hoe een grote stad mensen op sleeptouw neemt.
Het koor van Brusselaars dat Verhulst opvoert, van ministers tot zwervers, heeft bij Siebelink een tegenhanger in een lerarenkamer. Ook hier draait het om de ijdelheid en het gekonkel van een kleine gemeenschap, met een ironie die nooit gemeen wordt.