Waar Watney op Mars strandt, zakt bij Clarke een toeristenboot weg in het fijne stof van een maanzee. Ook hier is het een race tegen zuurstof en tijd, opgelost met techniek en vindingrijkheid, al is Clarkes toon wat ernstiger.
Ernest Cline schrijft net zo laagdrempelig als Weir: korte hoofdstukken, popcultuur en een hoofdpersoon met een grote mond. Zack ziet een vijandig schip uit zijn game echt boven school vliegen, en dan begint een race die net zo vlot leest als Watneys strijd.
Watneys galgenhumor zonder zijn natuurkunde: Douglas Adams laat een doorsnee Brit de sloop van de aarde overleven en daarna door het heelal zwalken. Voor wie bij Mars vooral om de grappen lachte, absurder en nog luchtiger.
Studenten van een biotechbedrijf op Hawaï worden verkleind en moeten in het regenwoud overleven tussen insecten en planten. Crichton heeft net als Weir een hart voor wetenschap als overlevingsmiddel, met meer spanning en minder grappen.
Crichton laat zien wat er gebeurt als genen handelswaar worden, met een man die zijn eigen cellen kwijtraakt aan een bedrijf. Net als Mars zit het vol echte wetenschap die toegankelijk wordt uitgelegd, maar het is meer techthriller dan overlevingsverhaal.
Svetz reist voor zijn baas door de tijd om uitgestorven dieren te halen en komt telkens met iets onverwachts terug. Niven vertelt licht en geestig, met dezelfde nuchtere houding tegenover tegenslag als Mark Watney op Mars.
Heinleins Dan Davis is een uitvinder die zijn problemen te lijf gaat met gereedschap en bouwtekeningen, net als Watney. Na verraad door zijn naasten belandt hij in de koude slaap, een klassieker met een vrolijke, eigenwijze verteller.
Slippery Jim diGriz improviseert zich door de tijd heen, met brutaliteit en een grap op elke pagina. Harrison deelt met Weir de ik-verteller die zijn tegenslagen met humor becommentarieert, al is het hier pure avonturen-sf.
Peter Maxwell keert terug van een kristallen planeet en hoort dat hij al thuis is, en dood. Simak schrijft warm en humoristisch, met een hoofdpersoon die net als Watney gewoon doorgaat als alles tegenzit.
Dean Koontz zet een kunstenaar in een motelkamer vast, injecteert hem met iets onbekends en laat hem dan vluchten. Het tempo ligt even hoog als in Mars en de dialogen zijn net zo grappig, al is het eerder thriller dan sf.
Reclameman Mitch Courtenay krijgt de opdracht om mensen warm te maken voor een kolonie op Venus. Pohl en Kornbluth schrijven bijtende, snelle satire, minder wetenschap dan Weir maar met een vergelijkbaar oog voor absurde situaties.
Watney redt zich met kennis, Pohls dominee juist zonder: Hake wordt spion zonder te snappen voor wie of waarom. Ironische, vlotte sf over een Amerika dat op energie moet bezuinigen, met dezelfde droge ondertoon als Watneys logboek.