Porterhouse en de provinciale universiteit van Jim Dixon zijn twee plekken waar tradities en ijdelheid het denken vervangen hebben. Amis volgt één docent op proef, Sharpe een heel college dat aan de bedelstaf is.
Wie na Porterhouse meer Sharpe wil, vindt hier een andere deftige wereld met lege kassen en grote ego's: de uitgeverij. Even venijnig, met een agent in de hoofdrol in plaats van een college vol heren.
Een eerbiedwaardig instituut dat financieel en moreel wankelt: bij Sharpe het college in Cambridge, bij Townsend de regering in Downing Street. Townsend is lichter, de spot op Britse gewichtigheid even raak.
Ook bij Kluun draait alles om geld, maar dan om de jongens die het in 1998 met bakken verdienen, terwijl de heren van Porterhouse het juist kwijt zijn. Twee satires op wat geld met mensen doet.
Na het verkalkte college van Sharpe is dit een andere Britse instelling die zichzelf in de voet schiet: de regering. McEwan is kort en droog, en net als Sharpe richt hij zijn pijlen op traditie die blind maakt.
Porterhouse is de wereld van de heren die Wodehouse ook zo graag laat struikelen: oude rijkdom, vaste gewoonten en een groot gebrek aan zelfinzicht. Bij Wodehouse is het zachter en verfijnder, de klucht minstens zo groot.
Sharpe spot met de oude universiteit, Brusselmans met de nieuwe televisie: twee instituten waar geld en domheid hand in hand gaan. Vlaams, grover en absurder, maar dezelfde lol in mensen die zichzelf overschatten.
De oude heren van Porterhouse en de oude heren Hendrik en Evert hebben meer gemeen dan je denkt: vaste rituelen, een borrel en een talent voor problemen. Groen is warmer en gezelliger dan Sharpe.
Ook Kluun schrijft over een man die dringend geld nodig heeft en daarvoor een idee aanpakt dat beter niet had gekund. Kleiner en persoonlijker dan het college van Sharpe, maar het tempo van de grap ligt even hoog.
Sharpe laat de fellows van Porterhouse hun waardigheid verliezen zodra het om geld gaat. Mulder doet iets vergelijkbaars met het Nederlandse societyleven, en dat in een veel kortere, schetsmatige vorm.
Fielding prikt net als Sharpe door de Britse zelfgenoegzaamheid, al zet ze een journaliste met te veel verbeelding op de voorgrond. Sneller en romantischer dan Porterhouse, maar even Engels in zijn spot.