Na de jacht op het roomkannetje is dit de Bertie-roman waarin Jeeves hem even verlaat, omdat hij de banjolele niet meer verdraagt. Weer een landgoed, weer een verloofde die opduikt, en dezelfde kunst van het steeds verder ontsporende plan.
Wie Bertie met zijn goede bedoelingen in Totleigh Towers ziet ploeteren, vindt in Daantje Pieterse een Nederlandse verwant: een schuchtere provinciaal die in dienst naar de stad moet. Fabricius schrijft met dezelfde zachte humor, alleen zonder butler.
Waar Wodehouse landadel als Sir Watkyn Bassett op de hak neemt, gaat Sue Townsend nog een stap verder: zij laat een republikeinse regering de koninklijke familie het paleis uit zetten. Dezelfde Britse spot met standsverschil, alleen satirischer.
Bertie meent dat hij alles in de hand heeft, ook als tante Dahlia hem op pad stuurt; Adrian Mole denkt dat ook, in zijn plechtige dagboek. Twee Engelse vertellers die niet doorhebben hoe grappig ze zijn, al is Adrian een stuk jonger en armer.
Een andere Engelse komedie waarin de held steeds dieper in de ellende raakt doordat hij iemand te vriend wil houden: Jim Dixon moet bij zijn hoogleraar in de gunst blijven. Wat bitterder dan de roomkan-klucht, met een even rampzalig weekend op het land.
Bertie heeft Jeeves om hem uit de brand te helpen, Ignatius J. Reilly heeft alleen zijn moeder en een overdosis zelfvertrouwen. Toole schrijft een Amerikaanse klucht die net als Wodehouse leeft van een onmogelijke hoofdpersoon in steeds absurdere situaties.
Tom Sharpe stuurt de onhandige Timothy Bright van de ene ramp naar de andere, op zoek naar een fortuin dat maar niet komt. Grover en sneller dan Wodehouse, maar wie lacht om Berties jacht op een zilveren koe, lacht ook hierom.
Henry Wilt gaat in zijn eentje Engeland verkennen terwijl zijn gezin in Amerika zit, en dat loopt net zo uit de hand als de klusjes die Bertie voor tante Dahlia opknapt. Tom Sharpe is ruwer dan Wodehouse, maar het plezier in chaos is hetzelfde.
Sir Watkyn Bassett neemt zichzelf heel serieus, en de minister in deze satire van Bomans ook: hij beschrijft zijn eigen leven als een epos. Nederlandse spot met deftigdoenerij, net zo geestig als Wodehouse.
Hendrik en Evert zijn ruim zeventig, maar halen net zoveel streken uit als Bertie en zijn vrienden in Totleigh Towers. Hendrik Groen schrijft knus en droog over twee oude mannen die in de problemen raken, een vrolijke Nederlandse tegenhanger.