Frensic jaagt op een bestseller en Kluun worstelt met een ongeduldige uitgever: allebei kijken ze van binnenuit naar het boekenvak, en dat is weinig vleiend. Kluun schrijft persoonlijker en rommeliger, Sharpe bouwt een strakkere klucht.
Een schrijver die zichzelf als personage opvoert en een agent die een nepauteur inhuurt: allebei spelen ze met de vraag wie een boek nu eigenlijk maakt. Thomése voegt er een rommelige roadtrip en een onverbeterlijke Tilburgse kompaan aan toe.
Wie de spot met recensenten en agenten in De grote achtervolging leuk vond, lacht hier om het Boekenbal en het literaire wereldje gezien door een student met een grote mond. Giphart is jonger en ondeugender, Sharpe venijniger.
Ook Amis zet een man in een wereld vol pretentie, waar hij zich met bluf en geluk door heen moet slaan, net als Peter Piper. Een universiteit in plaats van een uitgeverij, met dezelfde Britse spot op deftigheid.
Peter Piper die zich een groot schrijver waant heeft een geestverwant in Ignatius Reilly, die met evenveel overtuiging aan zijn meesterwerk werkt. Toole is uitbundiger en vreemder, Sharpe zakelijker in zijn satire.
Sharpe lacht om de boekenmarkt, Brusselmans om de televisiewereld en haar producenten zonder smaak. Beide boeken gaan over geld verdienen met iets wat je zelf niet begrijpt, met Vlaamse grofheid in plaats van Engelse.
De kloof tussen deftige literatuur en de massamarkt die Sharpe uitvergroot, is bij Van den Boogaard het onderwerp van scherpe observaties over mensen die bij de elite willen horen. Minder klucht, meer zelfspot.
Een manuscript dat het boekenvak op zijn kop zet en twintigduizend olifanten die Berlijn overspoelen: twee satires die een absurd idee consequent doordenken. Schoeters richt zich op politiek, Sharpe op uitgevers.
Na de hielenlikkers van de uitgeverswereld bij Sharpe komen hier de bekende Nederlanders aan de beurt, gezien door de ogen van hun huisdieren. Korter en lichter, met dezelfde lol in ijdelheid die wordt doorgeprikt.
Waar Frensic ruikt dat er met een boek veel te verdienen is, ruiken de mannen in Haantjes het geld van de bloeiende beurs. Kluun laat zijn figuren net zo hard vallen als Sharpe zijn agent en nepauteur.
Een uitgeverij als slangenkuil en een regering als insectennest: ook McEwan kiest één groot satirisch idee en houdt het tot het einde vol. Een stuk korter dan De grote achtervolging, maar met dezelfde droge ernst.
Sharpe maakt van een manuscript een achtervolging, Adams maakt van een galactische bureaucratie een ramp op wereldschaal. Wie houdt van Britse humor die een simpel misverstand laat uitgroeien tot chaos, zit hier goed.