Ignatius J. Reilly is net als Jim Dixon een man die zich voortdurend ergert aan de wereld en daar zelf de grootste rommel van maakt. Toole is uitbundiger en vettiger, Amis droger, maar allebei leveren ze scènes waarin je hardop lacht om pure gêne.
Bertie Wooster en de banjolele: Wodehouse bouwt een klucht uit kleine Engelse ongemakken, zoals Amis dat doet met een saai artikel en een lezing die mis moet gaan. Lichter en zonniger, zonder de academische ergernis van Jim.
Een verloofde, haar vader en een parelcollectie in een Engels landhuis: Wodehouse zet zijn figuren net zo gretig klem als Amis zijn docent op proef. Wie lachte om Jims pogingen zijn professor te paaien, smult van dit soort Engelse verwikkelingen.
Adrian Mole noteert plechtig zijn zorgen zonder te zien hoe grappig hij is, een verre puberneef van Jim Dixon met zijn binnenpretjes en gezichten. Engelse provinciehumor uit de jaren tachtig, toegankelijker en jonger van toon.
Een student met grote vaart en een flinke dosis spot over zijn studentenhuis en het Boekenbal. Giphart doet voor het Nederlandse studentenleven wat Amis deed voor de Engelse provinciale universiteit: van kleine vernederingen een feest maken.
Kate Battista doet het huishouden voor haar wereldvreemde vader, een wetenschapper die zijn laboratorium boven alles stelt. Net als Jim zit ze vast aan iemand in een academische bubbel, en Tyler maakt er een droge, scherpe komedie van.
Twee klerken storten zich op alle wetenschappen en zakken overal doorheen. Flaubert spot met halve geleerdheid zoals Amis met het saaie vakidioom van Jims professor, al is dit trager en een stuk ouder.
Een opgeblazen minister beschrijft zijn leven als heldendicht, en Bomans laat de lezer al zijn ijdelheid zien. Zelfde soort humor als bij de professor in Lucky Jim: een man die zichzelf veel te serieus neemt, en een schrijver die daarvan geniet.
Een schrijver raakt zijn beste personage kwijt en gaat op zoek naar J. Kessels, een Tilburgse fantast met een grote mond. Thomése heeft hetzelfde plezier in onbeschaamde antihelden als Amis met Jim, maar is grover en Brabantser.
Jim Dixon struikelt over de mores van de universiteit; bij Fabricius belandt een schuchtere jongen uit een winkeltje in de kazerne en de stad. Een Nederlandse klassieker van de lichte soort, vol gênante momenten waarin je net als bij Amis meekijkt en grinnikt.
McEwan laat een kakkerlak wakker worden als Britse premier en schrijft daar een korte satire over. Net als Lucky Jim een Engelse komedie die gezag belachelijk maakt, maar dan politiek in plaats van academisch, en veel korter.
Guggenheimer wil een definitieve Vlaamse Bonanza maken en is dom genoeg om het te proberen. Brusselmans drijft het absurde verder door dan Amis, maar wie genoot van Jims ondermijnende gedachten herkent het plezier in een domme machthebber.