Deze nieuwste bundel van Mariana Enríquez sluit aan op haar vroegste verhalen, waarin het griezelige al net zo terloops binnensluipt. Ruwer en jeugdiger van toon, met dezelfde Argentijnse buurten waar de doden niet stil willen liggen.
Geesten die gewone buitenwijken binnendringen: Hilary Mantel laat een medium rondreizen langs het grauwe Londense randgebied, zoals Enríquez geesten in Argentijnse volksbuurten loslaat. Zwartgallig grappig en literair.
Het spookhotel met het verdronken meisje in deze bundel heeft een beroemde voorganger in het huis van Shirley Jackson. Een klassieker die laat zien waar Enríquez veel van haar griezel vandaan haalt: een gebouw dat zich aan de zwaksten vastklampt.
Achter veel verhalen van Enríquez schemert de Argentijnse dictatuur, en Per Wahlöö maakte van zo'n militair bewind een satire met een showproces op een denkbeeldig eiland. Geen spoken, wel dezelfde kille angst voor wie de macht heeft.
Hugo Claus laat een leraar na een gemaskerd bal in Oostende een vrouw achternagaan, tot zijn werkelijkheid steeds verder verschuift. Net zo droomachtig en verontrustend als de verhalen van Enríquez, maar dan in Vlaanderen.
Peter Straub begint op een kostschool waar de leraren de jongens het leven zuur maken, en net als bij Enríquez sijpelt het bovennatuurlijke daarna ongemerkt binnen. Langer en Amerikaanser, met dezelfde nachtmerrieachtige sfeer.
Gerard Reve laat een jongen kijken naar een volwassen wereld die geheimzinnig en dreigend aanvoelt, en dat onbehaaglijke kinderperspectief vind je ook in veel verhalen van Enríquez. Kort, vreemd en Nederlands.
Een beeldhouwer die levende modellen in gips vastlegt: A.F.Th. van der Heijden maakt van kunst iets lichamelijks en griezeligs, zoals Enríquez lichamen centraal zet in haar horror. Literair en ongemakkelijk.
Een man die na de dood van twee vrienden rust zoekt in een bergdorp: Stefan Brijs schreef een Vlaamse roman met een sombere, griezelige ondertoon die past bij de sfeer van deze verhalen.
Willem Frederik Hermans zet een jonge man neer in het bezette Amsterdam, in een gezin vol wrok, en net als bij Enríquez sluipt het onheil een gewoon leven binnen. Geen spoken, wel dezelfde paranoïde sfeer die onder het dagelijks leven broeit.