Weer Anna Woltz, en weer één dag waarin alles gebeurt: geen fietstocht rond het IJsselmeer, maar een besneeuwde dag in het ziekenhuis. Fitz is net zo boos en vastberaden als Atlanta, en ook zij ontmoet een vreemde jongen.
Atlanta's moeder is ziek en zij wil iets dóén; Kos staat er na de hartaanval van zijn vader net zo voor. Sjoerd Kuyper geeft zijn held dezelfde koppigheid, met meer grappen en een heel hotel om draaiende te houden.
Wie bij Atlanta's tocht vooral het avontuur van twee kinderen alleen op pad mooi vond, krijgt bij Matt Haig een bos waar je niet in mag. Meer fantasie, net zoveel vaart en een held die het nog niet van zichzelf weet.
Een braaf meisje en een wilde nieuwe vriend: Atlanta en Finley, of Mandy en de stoere Tanya bij Jacqueline Wilson. Daar speelt alles op school en thuis, met dezelfde vraag of die nieuwe vriendschap te vertrouwen is.
Atlanta is elf en wil met een daad iets veranderen; Eefje is ook elf en hoort wat dieren denken. Matt Haig schrijft sprookjesachtiger dan Woltz, maar met dezelfde vaart en een meisje dat haar eigen weg gaat.
Atlanta pakt zelf haar fiets in plaats van af te wachten. Zo'n doener is ook Appie bij Jacques Vriens: na een inbraak bij zijn vriend gaat hij zelf speuren, want op agenten rekent hij niet. Vlot en met humor.
Atlanta draagt een zorg mee die niemand van buiten ziet, net als Emma, die naar een nieuwe school gaat met een pestverleden achter zich. Floortje Zwigtman schrijft licht en direct over opnieuw durven beginnen.
Finley heeft niets dan twee tanden op zak, en Ratje groeit op met bijna niets in een smal steegje. Anne de Vries' klassieker is ouderwets van toon, maar het taaie, slimme jongetje voelt nog steeds dichtbij.
Stiekem weg zonder dat de volwassenen het weten: Atlanta op de fiets, Tracy spijbelend naar haar schuilplaats. Jacqueline Wilson schrijft brutaler en grappiger, met een meisje dat net zo hard tegen de regels in gaat.