Joseph Creed is een paparazzo zonder scrupules, en Simmons heeft met vastgoedmagnaat Byron Trumbo een net zo onsympathieke hoofdpersoon in een horrorverhaal. Beide boeken lachen om hun eigen held terwijl het onheil groeit. Simmons voegt Hawaïaanse mythen toe, Herbert een Londense begraafplaats.
Duivelsgraf heeft meer humor dan de meeste Herberts, dankzij een cynische fotograaf die zijn vak met plezier misbruikt. Matt Haig gaat nog verder met een vampiergezin dat probeert normaal te doen in een Engels dorp. Lichter van toon, met dezelfde zwarte grap onder de horror.
Creed haalt zich met één foto bij een graf iets duisters op de hals; bij Joe Hill doet een cynische rocker dat met één aankoop. Twee mannen met een groot ego die merken dat ze niet meer alleen zijn in hun eigen leven. Vlot, grimmig en met zelfspot.
Creed jaagt op beroemdheden en hun schandalen; Barkers verhalen spelen deels in de wereld van theater en glamour, waar de doden een eigen rol opeisen. Kort, theatraal en grimmig, net als Herbert met een knipoog naar de showbizz.
Een gewone dag op een begrafenis die kantelt in een nachtmerrie: dat is Duivelsgraf, en het is ook de kern van Mathesons korte verhalen. Kleine situaties die langzaam onheilspellend worden, kort en vlot, zonder Herberts bloed.
In Duivelsgraf keert iets terug dat decennia geleden begraven werd; bij Tudor gaat Joe Thorne terug naar het dorp waar zijn zusje ooit verdween. Meer psychologie en minder humor, met hetzelfde verleden dat zich niet laat wegstoppen.
De paparazzo uit Duivelsgraf denkt dat hij alles onder controle heeft, tot iets anders het stuur overneemt. King laat een slimme jongen ontdekken dat volwassenen met een geheim project zijn leven bepalen. Hartelijker en langer, met dezelfde vaart als Herbert.
Een oude kindermoordenaar die in Duivelsgraf terug lijkt te keren, legt de link met eeuwenoud kwaad. Simmons trekt die lijn door naar de vampierlegendes van Roemenië, via een arts die een bijzonder kind adopteert. Breder en documentairer, net zo duister.
Wie na Duivelsgraf nog een James Herbert zoekt met vaart en een flinke dosis bovennatuur, kan Doem proberen: daar kondigen lichtbollen rampen over de hele wereld aan. Minder cynisch dan de paparazzo, maar net zo vlot en duister.
Creed maakt zijn geld met de doden van anderen, en Barker opent deze bundel met een nepmedium op wiens huid de doden hun eigen verhalen kerven. Daarna volgen korte, rauwe nachtmerries, voor wie bij Herbert het cynisme en de gruwel tegelijk waardeerde.
Herberts paparazzo is een held met een rot karakter; Frank uit De wespenfabriek is een verteller die je nog minder wilt vertrouwen. Iain Banks schrijft literair en gitzwart, met een humor die net zo ongemakkelijk is als die van Creed.