Paul Harland schreef Computercode Cthulhu samen met Tais Teng, en Water tot ijs laat zien wat hij alleen doet. Kevn en zijn broers overleven op een planeet die door buitenaardse volken wordt leeggeroofd; ook hier een wereld in verval en een sombere, dreigende toon.
Wie na het digitale Cthulhu-bestand meer horror van Tais Teng wil, pakt Dode ogen. Geen toekomstige ruïnes nu, maar een eeuwenoude Chinese demon die opduikt in Utrecht; minder sciencefiction, wel dezelfde Nederlandse bodem onder het griezelige.
Tais Teng en Paul Harland laten een gehavende mensheid aan het werk gaan met gevaarlijke kennis. Peter Schaap schreef in dezelfde Nederlandse sf-traditie Zwermtijd, waarin de mensen onder de grond wegkruipen voor een vijand die ze niet verslaan; somber en beklemmend.
In Computercode Cthulhu leunt de mensheid op kunstmatige intelligentie, in Mistwereld bewaakt een machine de vrede en duldt ze geen afwijking. Peter Schaap schreef het als Nederlandse dystopie: kil, beklemmend en met een vergelijkbaar wantrouwen tegenover techniek.
Verboden kennis die je beter niet kunt aanraken, is de motor van Computercode Cthulhu. H.G. Wells schreef het oervoorbeeld: een schipbreukeling op een eiland in de Stille Oceaan, waar een geleerde dingen doet die het daglicht niet verdragen. Kort, klassiek en akelig.
Een wereld die in puin ligt omdat de mens iets losliet wat hij niet beheerste: zo begint Computercode Cthulhu, en zo voelt ook De dag van de triffids. Na een groene meteorenregen is bijna iedereen blind; John Wyndham houdt het nuchter en Engels.
Computercode Cthulhu speelt in een nabije toekomst die half in puin ligt, en De zaaier ook: Californië in 2024, na klimaatrampen en een economische ineenstorting. Octavia E. Butler kiest geen goden uit de diepte maar mensen, en is daardoor misschien nog enger.
Een verwoeste aarde, mensen die afhankelijk zijn van kunstmatige wezens en een grens tussen echt en nep die vervaagt: na Computercode Cthulhu sluit Blade runner goed aan. Philip K. Dick schrijft vreemder en filosofischer, zonder Lovecrafts monsters.
In Computercode Cthulhu haalt wie het verkeerde bestand kopieert de ondergang over zich heen; in I am legend is die ondergang al voltrokken. Robert Neville lijkt de laatste mens na een virus. Matheson schrijft kort, kaal en beklemmend.
Verboden teksten die gevaarlijk zijn om te bezitten, daar draait Computercode Cthulhu om, en ook bij Auke Hulst zijn boeken een risico. Twee tweelingbroers leven afgezonderd in een bos met verboden lectuur en een gitaar; literairer en melancholieker.
Wie in Computercode Cthulhu vooral griezelde van techniek die mensen ondermijnt, zit goed bij Middernacht. Dean Koontz zet het in een rustig kustplaatsje waar de doden te snel verdwijnen, en schrijft het als een vlotte mix van thriller, sf en horror.
Waar Computercode Cthulhu oude verschrikkingen in een digitale toekomst zet, plant Mariana Enríquez ze midden in het Argentinië van nu. Haar korte verhalen mengen geesten met armoede en geweld; literairer, maar net zo duister.