Net als Cliënt E. Busken speelt Jessica! zich af in het hoofd van één man, binnen een avond en een nacht. Claus laat zijn hoofdpersoon op een keerpunt verstrikt raken in zijn eigen gedachten, net zo benauwd en woelig als de zwijgende woede van Busken.
Opgesloten zitten en wachten, met een hoofd vol commentaar op de wereld eromheen: de Cincinnatus C. van Nabokov zit ter dood veroordeeld in een fantasieland. Absurder en speelser dan Brouwers, maar de cel als decor voor een scherpe geest werkt hier net zo.
De jonge schrijver van Hamsun zwerft rond 1890 hongerig door Kristiania en je zit de hele tijd in zijn hoofd. Waar Busken stil in zijn rolstoel zit, loopt deze verteller rusteloos rond, maar ook bij hem schieten gedachten en wrok alle kanten op.
Een gesloten instelling, gezien door iemand die er niet wil zijn: Verhulst laat een bewoner van een Vlaams asielzoekerscentrum vertellen over wachten en vernedering achter de hekken. Rauwer en maatschappelijker dan Busken, met dezelfde scherpe blik op medebewoners.
Een eerdere Brouwers met dezelfde opzet in het klein: een man zit vast in een lift, samen met zijn jonge geliefde Aurora, en zijn gedachten slaan op hol. Je krijgt weer die benauwde ruimte en een hoofd vol obsessies over ouder worden en dood.
Alexander Portnoy praat een heel boek lang over zijn joodse jeugd in Newark en zijn allesoverheersende moeder, woedend en grappig tegelijk. Luider en schaamtelozer dan Busken, die alles binnenhoudt, maar het venijn is van dezelfde soort.
Busken is aan zijn stoel gekluisterd; de hoofdpersoon van Bervoets raakt na een uitje met het kind waar hij op past zo ziek dat hij het bed niet meer uit komt. Afhankelijkheid en een lichaam dat niet meewerkt, verteld met meer ironie dan razernij.
Busken verzet zich zwijgend tegen zijn verzorgers; de vrouw bij Mizee doet dat hardop tegenover de ambtenaar die haar aan het werk wil krijgen, want zij volgt alleen haar roeping. Veel lichter van toon, met dezelfde koppige weerstand tegen hulp.
Reve volgt de dichter Hugo Treger, eenenveertig en flink aan de drank, die met grimmige spot naar zijn omgeving kijkt. Die mengeling van wrok, humor en zelfspot ligt dicht bij het zwijgende commentaar dat Busken op zijn verplegers loslaat.
De verhalen van Kafka, met de titelnovelle voorop, gaan over mensen die in hun eigen lichaam of kamer gevangen raken. Wie Busken in zijn rolstoel schrijnend vond, vindt in deze bundel dezelfde beklemming en dezelfde droge, wrange toon.
Daniël leeft bij Wolkers met herinneringen die hem niet loslaten en met schuld om de dood van zijn dochtertje. Net als in Cliënt E. Busken malen verleden en heden door elkaar in het hoofd van één man, zonder dat hij er grip op krijgt.
Elsschot zet je in een derderangs familiepension in Parijs, tussen gasten en uitbaters die zich met kleine listen redden. Een klein gesloten wereldje vol eigenaardige bewoners, bekeken met een geamuseerde blik die verwant is aan het venijn van Busken, maar milder.