Hilary Mantel denkt in deze essays en lezingen na over haar vak, met de nuchterheid van iemand die het dagelijks doet. Voor wie wil lezen hoe een schrijver over proza denkt, een vanzelfsprekende keuze.
Woolf onderzoekt in 1929 waarom er zo weinig vrouwen in de literatuurgeschiedenis te vinden zijn. Het antwoord draait om geld en om ruimte om te werken.
Mantel verzamelde recensies en herinneringen vanaf 1987, een groot deel geschreven voor de London Review of Books. Wie wil zien hoe een personage op papier tot leven komt, vindt hier veel scherpte.
Pruis schrijft over hoe de samenleving vrouwen in een vaste rol drukt, en over het ideaalbeeld dat niemand haalt. Ze is scherp, en de toon blijft luchtig genoeg om door te lezen.
Hafid Bouazza bundelde vijftien jaar essays voor kranten en tijdschriften. Literair en humoristisch, met een persoonlijke toon die het schrijven meteen concreet maakt.
Wie wil weten waar de bouwstenen van een roman zitten, vindt bij Rosenboom een heldere uitleg van de techniek. Het is een werkboek met voorbeelden uit de praktijk.
Wat doen sociale media met onze eigenliefde? Dat is de vraag waar Pruis in deze essays steeds op terugkomt, met een blik die ook buiten de literatuur bruikbaar is.
Een Boekenweekessay uit 2001 over wat het betekent om tussen twee culturen te schrijven. Bouazza is hier persoonlijk en speels, en het essay blijft na de laatste zin nog even hangen.
Alain de Botton neemt Proust als gids en laat zien hoe een ziek leven toch vol inzichten kan zitten. Luchtig geschreven, en een goede start voor wie zelf wil schrijven.
Essays waarin Zwagerman vrij door kunst, literatuur en popcultuur zwerft. Losse wandelingen die laten zien hoe je over schrijven praat zonder jezelf te verliezen.