Wie Brouwers van leer ziet trekken tegen collega's en recensenten, moet Hermans lezen: met deze essays bevestigde hij zijn naam als scherpste polemist van Nederland. Even fel, even geestig, en net zo meedogenloos voor het literaire wereldje.
Van Brederode schreef een fel pamflet over de minachting voor intellect en verdieping, een strijd die Brouwers in Restletsels op zijn eigen manier voert. Korter en filosofischer, met dezelfde verontwaardiging over vervlakking.
In Restletsels zegt Brouwers wat hij van het schrijversvak vindt; Reve deed dat in 1985 in vier lezingen in de Leidse Pieterskerk. Een geestige, eigenzinnige kijk op schrijven van een collega die net zo graag provoceerde.
Naast de polemiek bevat Restletsels een eerbetoon aan Mulisch; Kellendonk schreef zulke essays over schrijvers die hem bezighielden, van Bordewijk tot Henry James. Bedachtzamer van toon dan Brouwers, met dezelfde liefde voor het vak.
Restletsels laat Brouwers zien als stilist die van woorden houdt en van ruzie; Bouazza deelt die liefde voor weelderige taal in zijn verzamelde krantenstukken. Even stellig over boeken en schrijvers, met wat minder venijn.
Barnes schrijft in deze essays over romans en hun makers, van Orwell en Updike tot Houellebecq. Wie in Restletsels genoot van de lezer en criticus Brouwers, vindt hier een mildere Engelse tegenhanger.
Marja Pruis vraagt zich af waarom het ene boek blijft hangen en je het andere meteen vergeet. Een speelse, kritische kijk op lezen en literatuur, minder strijdlustig dan Brouwers maar net zo uitgesproken.
Brouwers vecht in Restletsels voor de literatuur, Borges mijmert erover. Zijn korte essays over bibliotheken, lezers en schrijvers zijn even belezen als die van Brouwers, alleen verwonderd in plaats van strijdlustig.
Hilary Mantel denkt in essays en lezingen na over haar vak, met humor en een scherpe pen. Minder polemisch, wel net zo uitgesproken: ook zij laat, net als Brouwers in Restletsels, zien wat literatuur voor haar betekent.
De literaire wereld de maat nemen met ironie: dat doet Brouwers in Restletsels, en Woolf deed het al bijna honderd jaar eerder. Ze vraagt waarom schrijfsters in de canon ontbreken en geeft een even geestig als scherp antwoord.
Net als Restletsels is dit een bundel losse stukken van een romancier die zich met zijn tijd bemoeit. Thomése zwerft 's nachts door de reclamewereld en het digitale leven en kijkt er even dwars naar als Brouwers naar de letteren.
In Boos meisje schrijft Marja Pruis over misogynie, sociale pikordes en het onhaalbare ideaal van de vrouw. Even strijdbaar als Restletsels, alleen richt haar woede zich op andere misstanden dan die van Brouwers.