Stad van slangen mengt misdaad en het bovennatuurlijke, en Clive Barker deed dat al in zijn debuutroman: een gokker die na de gevangenis lijfwacht wordt van een rijke man met een duister verleden. Ook hier is niemand onschuldig en loopt de grens tussen gangsterverhaal en horror dwars door het boek.
De Kardinaal heerst in D.B. Shans Stad over bendes en duistere krachten, en Leigh Bardugo bouwt iets vergelijkbaars in de geheime genootschappen van Yale. Alex Stern ziet geesten en is zelf geen heilige, wat haar een goede tegenhanger van Capac Raimi maakt.
Wie de harde mix van misdaad en iets wat niet te verklaren valt in Stad van slangen zoekt, vindt die bij Jean-Christophe Grangé. Een Parijse inspecteur onderzoekt de dood van zijn collega en komt in kringen terecht waar het kwaad een religieuze vorm krijgt.
Dan Simmons maakt van Calcutta wat D.B. Shan van zijn naamloze Stad maakt: een plek die zelf kwaadaardig lijkt. Een dichter reist er met vrouw en kind heen en raakt verstrikt in een cultus; trager opgebouwd dan Stad van slangen, maar even duister.
Capac Raimi kijkt in Stad van slangen naar een stad die hem ontglipt, en Enríquez laat in haar verhalen zien hoe de gewone orde in Argentinië barsten vertoont. Kort, rauw en zonder bendeoorlog, maar met dezelfde gruwel die uit de straat zelf lijkt op te stijgen.
Stad van slangen laat zien wat macht met mensen doet; Stephen King doet dat in Misery op de kleinste schaal denkbaar: een schrijver, een bed en een vrouw die alles over hem te zeggen heeft. Geen bovennatuurlijk element, wel spanning die steeds verder wordt opgevoerd.
Joe Hill schrijft, net als D.B. Shan, horror met een hoofdpersoon die zelf geen lieverdje is: een oude rockster die occulte spullen verzamelt. Vlot en gemeen, al speelt het zich af op de Amerikaanse wegen in plaats van in een stad vol bendes.
Mo Hayder schrijft hardere misdaad dan de meeste thrillerauteurs, en in Duivelswerk schuift die richting horror, met een afgelegen Schots eiland en een gerucht over een wezen dat mens noch dier is. Voor wie in Stad van slangen juist die grensvervaging zocht.
James Herbert schrijft het soort horror dat D.B. Shan voor volwassenen zoekt: snel, grof en met bovennatuurlijke dreiging. In Priesteres van het kwaad probeert een man op een eiland een nieuw leven op te bouwen, tot er iets binnendringt in die rust.
Ook in Brandende meisjes duikt een gewelddadig verleden weer op, hier in een Engels dorp met een geschiedenis van brandstapels. C.J. Tudor schrijft subtieler dan D.B. Shan, maar wie houdt van een hoofdpersoon die tegen een hele gemeenschap moet opboksen, zit goed.
Een klassieker voor wie in Stad van slangen houdt van een heerser die over leven en dood beschikt: H.G. Wells laat een schipbreukeling aanspoelen bij een geleerde die zijn eigen regels stelt. Korter en ouder, maar net zo verontrustend.