Nog een landhuisklucht van Wodehouse, nu met Bertie Wooster, wiens nieuwe banjolele zo erg is dat Jeeves vertrekt. Dezelfde misverstanden over liefde en geld als rond Monty Bodkin, met het bekendste duo uit Wodehouses werk.
Kingsley Amis schreef een Engelse klucht die net zo draait om iemand die zich steeds dieper in de problemen werkt, hier een jonge docent die zich op een provinciale universiteit moet bewijzen. Iets scherper dan Wodehouse, met een even onhandige held.
Tom Sharpe zet de Wodehouse-traditie voort met meer chaos en minder beleefdheid: Henry Wilt raakt verstrikt in een rare situatie rond een studente die bij hem inwoont. Net zo kluchtig en snel als Diefje met verlos, maar grover.
Ook bij Sharpe zorgen geld, een veeleisende echtgenote en een ongemakkelijke klus voor een opeenstapeling van misverstanden. Henry Wilt is een minder rijke Monty Bodkin en de humor is ruwer, maar het tempo en de chaos voelen vertrouwd.
Wodehouse maakt de Engelse upper class belachelijk, Sue Townsend gaat nog een trede hoger: zij zet de koninklijke familie achter een hek. Satire op de Britse standenmaatschappij, scherper en politieker dan Diefje met verlos.
Ook dit is Engelse humor rond een hoofdpersoon die niet doorheeft hoe komisch hij is, alleen schrijft Adrian Mole alles plechtig op in zijn dagboek. Wie lacht om Monty Bodkin en zijn liefdesperikelen, lacht ook om deze puber.
Een klucht met een even onmogelijke hoofdpersoon als Wodehouse kan verzinnen: Ignatius J. Reilly, lui, dik en overtuigd van zijn eigen genie. Amerikaans en wranger dan Diefje met verlos, maar met dezelfde opeenstapeling van rampen.
Johan Fabricius schreef een Nederlandse tegenhanger van een Wodehouse-klucht: een verlegen jongen uit de provincie die voor zijn diensttijd naar de grote stad moet en daar zijn draai moet vinden. Net zo licht en vrolijk, met een knusse sfeer.
Monty Bodkin worstelt met een verloofde en haar vader; Rob Fleming met al zijn mislukte relaties. Nick Hornby schrijft net zo luchtig en grappig over de liefde, maar dan in het Londen van de platenzaak in plaats van een landhuis.
Ian McEwan neemt in deze korte satire de Britse politiek op de hak, met een insect dat ineens in Downing Street de dienst uitmaakt. Een moderne Engelse klucht, absurder dan Wodehouse, met dezelfde lol in het belachelijk maken van de bovenlaag.
Oom Theodoor is een figuur die zo uit een Wodehouse-verhaal kan stappen: groot, hongerig en vol sterke verhalen en grootse plannen. Toon Kortooms schrijft er warm en knus over, Hollandser maar net zo grappig.