Na Het oog aan de hemel is dit een goede tweede Philip K. Dick: weer een doodgewone arbeider die klem zit tussen machten die veel groter zijn dan hij. Later geschreven en politieker, maar met dezelfde mix van paranoia en droge humor.
Dick lacht in Het oog aan de hemel om de vooroordelen van zijn tijd, en Pohl en Kornbluth doen hetzelfde met de reclamewereld van de jaren vijftig. Allebei vlot, satirisch en net zo scherp over hoe makkelijk mensen zich laten leiden.
Een werkelijkheid die onder je voeten verschuift: bij Dick na een ongeluk met een deeltjesversneller, bij A.E. van Vogt bij een man die ontdekt dat zijn eigen herinneringen niet kloppen. Pulpiger en sneller, maar met hetzelfde duizelingwekkende gevoel.
Bij Dick vallen acht mensen in een wereld die steeds vreemder wordt, bij Richard Matheson wordt de wereld voor één man elke dag een maatje groter. Persoonlijker en minder grappig, maar net zo goed in hoe gewone dingen ineens bedreigend worden.
Clifford Simak schreef in dezelfde jaren als Dick over een man wiens geest door het heelal reist en die niet meer dezelfde terugkomt. Gemoedelijker van toon, maar net zo gericht op wat er gebeurt als je greep op de werkelijkheid verslapt.
De angst voor infiltranten uit de jaren vijftig, waar Dick in Het oog aan de hemel om lacht, neemt Robert Heinlein bloedserieus. Sneller en actiegerichter, en juist daardoor interessant om naast het boek van Dick te lezen.
Wie de humor in Het oog aan de hemel waardeerde, vindt bij Neal Stephenson een veel jongere versie van dat idee: werkelijkheden die door elkaar lopen, nu tussen een chaotisch Amerika en een virtuele wereld. Wilder, langer en vol grappen.
Net als Dick laat Ray Bradbury zien hoe een samenleving gedachten gaat controleren, alleen doet hij dat zonder knipoog en in één samenhangende toekomst. Kort, krachtig en een klassieker uit dezelfde jaren vijftig.
Een groep toevallige reisgenoten die samen in de problemen raakt: bij Dick door een ongeluk in een laboratorium, bij Arthur C. Clarke tijdens een uitstapje op de maan. Clarke blijft daarna nuchter en technisch, terwijl Dick de werkelijkheid laat ontsporen.
Waar Dick zijn personages opsluit in de denkwereld van één persoon, sluit Peter Schaap een hele samenleving op in de regels van een machine. Nederlandse sciencefiction met hetzelfde idee: wie bepaalt wat normaal is, bepaalt alles.
Vernor Vinge bouwt net als Dick een heel boek op één technische vondst die de wereld verandert. Serieuzer en met meer intrige, voor wie bij Het oog aan de hemel vooral het spel met grote ideeën leuk vond.
Gedeeld: spanning, snel tempo en meerdere vertellers
Frank Herbert zet een agent voor een raadsel waar hij maar half grip op krijgt, zoals Jack Hamilton steeds moet uitvogelen in wiens wereld hij nu weer zit. Wat uitdagender om te lezen, maar met dezelfde lol in bizarre ideeën.