Hermans zei over de personages in Paranoia dat ze niet ziek zijn, maar leven in een wereld die ze niet kunnen bevatten. Dat is precies de wereld van de verhalen van Kafka, even benauwend, droog en logisch in hun eigen waanzin.
Waar Hermans in Paranoia waan en achterdocht onderzoekt, schreef Bordewijk al eerder korte vertellingen waarin het bovennatuurlijke door de werkelijkheid breekt. Twee Nederlandse klassiekers in korte vorm, Bordewijk grilliger, Hermans koeler.
De vroege McEwan deed in de jaren zeventig wat Hermans met Paranoia deed: korte, verontrustende verhalen over mensen aan de rand van het normale. Grimmig, precies en ongemakkelijk, met een Engelse kilte.
In 'Manuscript in een kliniek gevonden' en de andere verhalen van Paranoia verliezen personages hun grip op een onbegrijpelijke wereld. Kafka maakte daar een hele roman van, met een bureaucratie die zich nergens laat doorgronden.
Paranoia toont mensen die overal samenzweringen in zien. Bij Claus jaagt een Vlaamse leraar een obsessie na die hem steeds verder van de werkelijkheid brengt, in een rijke, labyrintische roman.
Na de verhalen van Paranoia is De tranen der acacia's de logische volgende stap: dezelfde achterdocht, nu uitgewerkt in een volle roman over een jongen in een bezette stad. Langer, rauwer en even onrustig.
Paranoia beschrijft volgens Hermans een chaotische wereld die niemand begrijpt. Nabokov bouwt zo'n wereld helemaal op, rond een veroordeelde man die als enige anders is; surrealistisch, benauwend en vol zwarte humor.
In Paranoia schuurt het steeds tussen verbeelding en waanzin, en Van der Heijden laat een kunstenaar die grens overschrijden in zijn obsessie met het echte. Een verontrustende, zintuiglijke roman voor wie de donkerste kant van Hermans zoekt.
Waar de figuren in Paranoia overal dreiging zien, raakt bij Van der Heijden een drinkende Amsterdamse advocaat verstrikt in een duistere zaak. Dik en broeierig, met dezelfde vraag of de waan bij de held zit of bij de wereld.
Paranoia laat mensen zien die hun houvast kwijtraken. Brijs volgt een man die na een dubbel verlies naar de bergen trekt, in een sobere, psychologische roman over wat rouw met een mens doet.
Reve en Hermans debuteerden in dezelfde naoorlogse jaren met korte, ontregelende teksten. In deze twee novellen kijkt een jongen met een wrede blik naar zijn omgeving, net zo onderkoeld en ongemakkelijk als de verhalen in Paranoia.
De verteller in Paranoia vertrouwt niemand, en Hesses Harry Haller is een eenzame buitenstaander die zich verscheurd voelt. Een filosofisch, koortsig boek over iemand die zijn eigen geest niet meer vertrouwt.