Na Fry's speelse versie van de Griekse goden is dit dezelfde wereld van binnenuit: Madeline Miller volgt Achilles door de ogen van Patroclus. Ernstiger en romantischer, maar even toegankelijk voor wie de mythen nauwelijks kent.
Fry laat goden zich gedragen als een ruziënde familie; Terry Pratchett bouwt in zijn eerste Schijfwereldboek een hele platte wereld op dezelfde ondeugende manier. Fantasy in plaats van mythologie, met evenveel terzijdes en woordgrappen.
Gedeeld: met humor, toegankelijk en epische wereld
Wie bij Fry genoot van de Titanen en hun strijd om de tijd, vindt in De dief van tijd monniken die de tijd zelf bewaken. Terry Pratchett speelt met grote kosmische vragen alsof het een klucht is, net als Fry met de schepping.
Gedeeld: met humor, epische wereld en toegankelijk
Fry maakt oude goden menselijk en grappig; Neil Gaiman verstopt in Niemandsland een hele sprookjeswereld onder Londen. Donkerder en avontuurlijker, met dezelfde liefde voor oude verhalen en namen.
Gedeeld: met humor, toegankelijk en epische wereld
Na de oergoden van Mythos past de klassieke fantasy van David Eddings, waarin goden zich nog met de wereld bemoeien en een oude profetie een jongen op pad stuurt. Luchtig verteld, met veel humor in de dialogen.
Gedeeld: toegankelijk, epische wereld en met humor
De goden van Mythos zijn in de kern een disfunctionele familie, en niemand schrijft daar grappiger over dan David Sedaris. Geen mythologie, wel dezelfde droge, ironische verteller die het beste voor de terzijdes bewaart.
Fry legt bij elke mythe uit welke woorden we eraan danken; John Green beoordeelt in korte essays het menselijke tijdperk, met evenveel plezier in weetjes. Persoonlijker en soms ernstiger, maar net zo geestig.
Fry rijgt losse mythen aan elkaar tot één groot verhaal over de schepping; Sapkowski doet iets vergelijkbaars met Slavische sagen, verteld rond één monsterjager. Grimmiger van toon, maar ook hij geeft oude verhalen een eigentijdse, ironische draai.
Gedeeld: toegankelijk, met humor en epische wereld
Fry geeft goden en titanen een eigen stem; Godfried Bomans doet dat met insecten, in een klassieker over een jongen die in een schilderij belandt. Ouderwetser, maar net zo vol humor en verbeelding.
Fry vertelt een scheppingsverhaal vol stambomen en goddelijke familieruzies; García Márquez doet iets vergelijkbaars met generaties Buendía in Macondo. Literairder en magischer, met dezelfde epische adem.