Wie Erik in de Wollewei volgt, kan daarna met Bomans zelf terug naar de tijd van zijn jeugd. Weemoedige, vaak grappige korte stukken van dezelfde schrijver, zonder fantasiewereld maar met dezelfde milde blik op mensen.
Erik ligt wakker voor een proefwerk, en meester Staal houdt een dagboek bij over zijn klas in het Amsterdam van de jaren twintig. Thijssen schrijft net zo liefdevol en geestig over schoolkinderen, alleen zonder insecten of schilderij.
Bomans laat Erik de nacht voor zijn insectenproefwerk wakker liggen en zo een droomwereld in glijden. Thijssen bekijkt het klaslokaal ook vanuit een kind, zonder fantasie maar met dezelfde tedere spot op de grote mensen eromheen.
Een jongen die krimpt en een schilderij instapt, een spook dat een nuchtere Amerikaanse familie op zijn dak krijgt: Bomans en Wilde mengen allebei het onwerkelijke met spot op volwassenen. Kort, klassiek en even geestig.
In de Wollewei lijken insecten verdacht veel op mensen; in Cannery Row zijn de bewoners van de sardinestraat een even bont gezelschap. Steinbeck is Amerikaanser en melancholieker, maar kijkt net zo goedmoedig naar gekke figuren.
Bomans laat Erik logeren bij wespen en slakken met al hun kleinzieligheid; Steinbeck laat Danny en zijn vrienden twee huisjes erven en er een rommeltje van maken. Allebei warme satire op hebzucht en menselijk gedoe.
Mr. Mulliner vertelt in de bar van De Rustende Hengelaar het ene onwaarschijnlijke verhaal na het andere. Wie bij Erik genoot van de mild spottende verteller, vindt bij Wodehouse dezelfde knusse humor in Engelse vorm.
Erik ontdekt in de Wollewei een hele maatschappij van insecten, Wodehouse een hele maatschappij op de golfbaan. Het Oudste Lid vertelt vanaf het terras, net zo vriendelijk spottend als Bomans over zijn wespen.
Twee late Kronkel-bundels in één band, met Carmiggelts milde kijk op menselijke zwakheden. Wie de kleinzieligheid van Bomans' insecten herkende, ziet die hier terug in gewone Amsterdammers, in korte stukjes.
Bomans kijkt met een glimlach naar een kind dat een schilderij instapt, Campert laat een schrijver zijn leven één lange gelukkige periode noemen. Beide boeken zijn licht van toon en weemoedig onder de oppervlakte.
Erik kijkt naar een schilderij boven zijn bed, Bril naar een kastanjetak in een fles op de vensterbank. Korte stukken met dezelfde aandacht voor het kleine, al is Bril eigentijdser en zonder fantasie.
Verbogt vindt avontuur in het gewone leven, zoals Bomans een hele wereld vindt in een schilderij. Korte stukken waarin een simpele vraag tot verwarring leidt, dromerig en mild zoals Erik.