In Dorst is een moeder er plots weer, in Gebied 19 is een bruid er de ochtend na de bruiloft plots niet meer. Hetzelfde koele, scherpe proza van Gerritsen over mensen die elkaar niet bereiken.
Coco valt terug in oude gewoontes, Brooke vlucht in haar liefde voor een zangeres. Bervoets heeft dezelfde droge humor en hetzelfde mededogen voor een vrouw die buiten de lijntjes kleurt.
Net als Dorst is dit een roman over iemand die vastzit, letterlijk in een rolstoel op een gesloten afdeling. Brouwers is duisterder en grimmiger, maar het zwarte, bijtende lachen kent Gerritsen ook.
Mizees hoofdpersoon botst met haar consulent zoals Coco met haar moeder: twee vrouwen die langs elkaar heen praten. Een even komisch als ongemakkelijk boek over eigenzinnigheid en hulp die niet aankomt.
Lilly is bijna dertig, gejaagd en tekent strips; Coco loopt vast zodra ze weer bij haar moeder woont. Van Brederode schrijft grappiger, Gerritsen schuriger, maar beide gaan over jonge vrouwen die zichzelf in de weg zitten.
Een gezinslid dat ineens een andere koers kiest en de rest die er niets van snapt: dat zit in Dorst en in deze klassieker van Van Keulen. Bleekers zomer is luchtiger, maar de familie praat er net zo slecht met elkaar.
Wie de droge, bijna absurde toon van Dorst kon waarderen, vindt bij Kafka de klassieke bron ervan. Een gezin dat niet weet wat het met een van zijn leden aan moet, verteld zonder een zweem van sentiment.
Elsschot beschrijft een vader en zoon die elkaar telkens teleurstellen, Gerritsen een moeder en dochter. Allebei droog, kort en ironisch, met verdriet dat onder de oppervlakte blijft.
Coco drinkt weer zodra ze in het oude huis zit, de schrijver van Te Gussinklo zwerft 's nachts door Amsterdamse cafés. Twee mensen die vastlopen, literair en met humor beschreven.
Wolkers schrijft over een man die zich schuldig voelt om een dood kind, Gerritsen over een dochter die zich verantwoordelijk voelt voor een stervende moeder. Zwaarder van toon, maar dezelfde vraag naar schuld in een gezin.