Mantel graaft onder het gewone Engelse leven, Atwood onder dat van oudere mensen die de regie terugpakken. Twee meesters van het korte verhaal met dezelfde zwarte humor, Atwood soms speelser, Mantel venijniger.
McEwan begon in de jaren zeventig met verhalen die net als die van Mantel laten zien hoe dun de laag beschaving is. Zijn vroege bundels zijn nog duisterder en ongemakkelijker, zonder de humor die Mantel erdoorheen weeft.
De titel is net zo ironisch als Mantels moord op een premier: Reve schreef deze bundel na zijn Londense jaren, en vrolijk is maar een deel ervan. Dezelfde mengeling van gortdroge humor en somberte, in Reves eigen spottende Nederlands.
Bordewijk schrijft korte verhalen die van magisch realisme tot scherpe klucht gaan, met dezelfde lol in het ongemakkelijke als Mantel. Een Nederlandse klassieker voor wie het titelverhaal over de onbekende man in de flat vooral om de toon waardeerde.
Enríquez laat in hedendaags Argentinië horror en sociale werkelijkheid in elkaar overlopen. Net als Mantel gebruikt ze het korte verhaal om te tonen wat er onder het gewone leven sluimert, alleen veel enger en zonder Engelse ironie.
Wat Mantel doet met een gewone flat in 1983, deed Kafka met een gewone slaapkamer: het vertrouwde wordt opeens vreemd en dreigend. Zijn verhalen zijn absurder en minder politiek, maar het ongemak is hetzelfde.
Gogol kijkt achter de koele, elegante gevels van Sint-Petersburg en vindt daar ijdelheid en waanzin. Mantel doet hetzelfde met de Engelse middenklasse, en allebei maken ze van dat kijken iets wat afwisselend grappig en verontrustend is.
Boelgakov spot in Hondehart met de nieuwe Sovjetmens, via een professor die een zwerfhond opereert. Even satirisch en politiek gewaagd als Mantels titelverhaal, maar uitbundiger en grotesker.
Orwell en Mantel delen een vlijmscherpe blik op politiek en de mensen die er de dupe van worden. De boerderij der dieren is een fabel in plaats van een bundel, maar net zo kort, geestig en ontluisterend.
Siebelink schrijft in Nachtschade vijf korte verhalen over mensen die zich gevangen voelen in een nachtmerrie. Wie bij Mantel de verhalen het best vond waarin het gewone leven ongemerkt omslaat, vindt hier een donkerdere Nederlandse variant.
Ignatius Reilly woont bij zijn moeder in New Orleans en is overtuigd van zijn eigen genie, een personage zo raar dat het in een Mantel-verhaal had gepast. Toole houdt het op één lange, grappige roman, voor wie vooral om de humor kwam.
Een allesoverheersende moeder in Newark en een zoon die zich losscheurt: Roth maakt er een schaamteloze komedie van. Mantel is beheerster, maar deelt zijn plezier in het taboe en in mensen die zichzelf genadeloos ontleden.