Spit en Rijneveld debuteerden allebei met een roman over opgroeien op het platteland, met kinderspelletjes die ontsporen terwijl de ouders niets zien. Dezelfde rauwe taal, maar Spit bouwt haar boek op als een spanningsroman rond een terugkeer naar het dorp.
Reve kijkt door de ogen van de jonge Elmer naar een volwassenenwereld die geheimzinnig en dreigend voelt. Net als Jas bedenkt hij eigen rituelen om er grip op te krijgen, in een korte roman die even benauwend is.
Na een zinloze schietpartij in een disco blijven Franka en Phinus achter met een gat in hun gezin. Dorrestein zoomt in op het verdriet van de volwassenen, precies het omgekeerde perspectief van de tienjarige Jas.
Wolkers schrijft over Daniël, die de dood van zijn dochtertje niet kan loslaten. Dezelfde rauwe, lichamelijke taal als bij Rijneveld en dezelfde vraag hoe schuld en verdriet een gezin uithollen.
Een twaalfjarige in een klein dorp doet in een vlaag van woede iets onomkeerbaars en moet daarna met dat geheim leven. Lemaitre kruipt net zo dicht in het hoofd van een kind als Rijneveld, maar schrijft strakker en spannender.
Wieringa laat uitgehongerde vluchtelingen door de steppe trekken naar een beloofd land, met bijbelse echo's die net zo zwaar wegen als in het gereformeerde dorp van Jas. Een harde, literaire roman over geloof en overleven.
Een auto stopt bij drie spelende jongens in Boston, en wat daarna gebeurt tekent hun hele leven. Lehane schrijft een thriller, maar net als Rijneveld laat hij zien hoe een jeugdtrauma een hele gemeenschap blijft beheersen.
Verhalen uit Argentinië waarin het griezelige gewoon het huis binnenloopt, met verdwenen kinderen en opgegraven botten. Enríquez deelt Rijnevelds mengeling van lichamelijkheid en duisternis, verteld in korte stukken.
Deze Lynley-roman is eigenlijk het verhaal van een jongen in Londen en zijn broertje en zusje, overgeleverd aan een tante die het nauwelijks aankan. Net zo pijnlijk als Rijneveld in hoe kinderen hun eigen weg zoeken als volwassenen tekortschieten.
Berkhof vertelt over een gezin in Zuid-Afrika dat onder de apartheid overeind probeert te blijven. Waar bij Rijneveld het geloof de muren optrekt, doet hier het regime dat, en de kinderen voelen het net zo hard.
Een arts verhuist met zijn gezin naar Maine, en al snel vinden de kinderen het dierenkerkhof achter het huis. Net als bij Rijneveld spelen dode dieren en het onbegrip van kinderen over de dood een grote rol; King kiest alleen voor echte horror.
Lauren groeit op als dochter van een predikant in een ommuurde wijk van een ingestort Californië. Butler laat net als Rijneveld een meisje haar eigen geloof vormen naast dat van haar vader, in een veel hardere wereld.