Zwartboek begint met een collega van Rebus die in elkaar wordt geslagen, en ook in De lachende politieman is een politieman zelf slachtoffer. Beide boeken gaan over een rechercheur die wil weten waar die collega mee bezig was, en over dossiers die al jaren stof vangen.
Wie in Zwartboek genoot van Rebus die oude doofpotten openbreekt, krijgt bij Persson een Zweedse versie. Een zaak over één dode wordt een blik op een politiekorps en machthebbers die liever niet gestoord worden; trager, cynischer en met nog meer ambtelijke rook.
Rebus moet in Zwartboek ook langs zijn eigen verleden, en dat overkomt Kerstin Holm als een verhoor haar te dicht op de huid zit. Arne Dahl werkt met een heel team in plaats van één eenling, maar het gevoel dat werk en privé door elkaar lopen is hetzelfde.
Het gecodeerde notitieboekje van Brian Holmes is in Zwartboek het begin van alles, en bij Mankell zet een raadsel in een computer Wallander op het spoor. Allebei boeken over een rechercheur die merkt dat de zaak veel groter is dan een paar losse doden.
Achter de mishandeling in Zwartboek zit een netwerk van mensen die elkaar uit de wind houden. Brunetti stuit in Venetië op net zo'n web van gunsten en geld, al gaat het daar zachter en met meer lunches. Voor wie wil zien hoe corruptie in een andere stad smaakt.
Gedeeld: politieonderzoek, spanning en langzaam opbouwend
Rebus schuift in Zwartboek tussen kroegen, hotels en de Edinburghse onderwereld, en Grijpstra en De Gier doen hetzelfde in de Amsterdamse grachtengordel. Van de Wetering schrijft lichter en met meer filosofie, maar de lol van twee rechercheurs die hun eigen gang gaan is dezelfde.
In Zwartboek begint alles bij een brand van jaren geleden; Robinson laat Banks starten bij een plaats delict waar het belangrijkste ontbreekt. Ook Noord-Brits, ook een inspecteur die zijn chefs ergert, en een zaak die langzaam groter wordt dan iemand dacht.
Zwartboek koppelt een geslagen rechercheur aan een oude hotelbrand; Dodenmis begint met twee doden in een Londense kerk die niets gemeen lijken te hebben. P.D. James schrijft deftiger dan Rankin, maar ook zij laat haar rechercheur laveren tussen klasse en macht.
Rankin geeft Rebus in Zwartboek een broer in huis en een jeugd die hem blijft achtervolgen. Paul Vegter van Dijkzeul is net zo'n eigenzinnige rechercheur die het meest leert uit gesprekken met getuigen, en de Nederlandse setting is een goede afwisseling.
Een dode die nooit een naam kreeg is in Zwartboek de sleutel; in Eva's oog draait het om een vrouw die iets ziet en het voor zich houdt. Fossum schrijft rustiger en psychologischer dan Rankin, maar ook zij laat zien hoe één verzwegen ding een hele zaak vergiftigt.
Zwartboek graaft in het verleden van een stad, en Kim Stone doet dat in de Black Country, waar oude botten bovenkomen. Kortere hoofdstukken en meer vaart dan bij Rankin, maar dezelfde vraag: wie heeft er al die jaren gezwegen?
Rebus worstelt in Zwartboek met zijn eigen familie terwijl hij een oude zaak oprakelt. Lynley en Havers worden in hun eerste boek naar Yorkshire gestuurd, waar een dorpsgemeenschap ook liever niet praat. Meer klassenverschil en minder drank, maar hetzelfde trage, gelaagde onderzoek.