Moeyaert speelt in Verzamel de liefde met kleine verschuivingen in de taal; Pfeijffer kiest juist de strengste vorm, een sonnettenkrans van vijftien gedichten. Allebei liefdespoëzie die je om de vorm een tweede keer leest.
Wie bij Moeyaert de liefde in korte gedichten wil blijven lezen, vindt in deze keuze uit de liefdesgedichten van Hugo Claus een Vlaamse voorganger. Claus is zinnelijker en wilder, Moeyaert speelser en kaler.
Stefan Hertmans koos voor de Poëzieweek zelf zijn liefdesgedichten, en net als bij Moeyaert gaat het om wat woorden wel en niet kunnen vangen. Hertmans is beschouwender en iets zwaarder op de hand.
Rijneveld schrijft in Komijnsplitsers over wonen in een huis, in een lijf en bij anderen, net zoals Moeyaert zijn liefdesgedichten aan een kamer of een ochtend ophangt. Taalspel en tederheid, alleen rauwer en voller.
Erik Jan Harmens wisselt in Kom tussen hard en teder, en die dubbelheid hoort ook bij de liefdesgedichten van Moeyaert. Korte, direct leesbare gedichten voor wie na Verzamel de liefde meer wil.
In Kalfsvlies zoekt Rijneveld de ruimte op, van een weiland tot een flat. Wie bij Moeyaert hield van gedichten die vertrekken vanuit één concrete plek, vindt hier een jongere dichter met dezelfde precisie en meer wildheid.
Net als Moeyaert gebruikt Rodaan Al Galidi eenvoudige woorden om iets groots te zeggen over de liefde. Zijn geliefde is in elk gedicht aanwezig, ook als ze er niet is, en hij kijkt met verwondering naar het Nederlands.
Anne Provoost, net als Moeyaert bekend van jeugdboeken, schreef met Decem een dichtbundel voor volwassenen. Waar Moeyaert speels is, vertelt Provoost in verzen een verhaal over herinnering en verlies, ernstiger maar even taalbewust.
Tom Lanoye vertelt over zijn eerste grote verliefdheid als tiener, in proza dat net zo speels met taal omgaat als de gedichten van Moeyaert. Een fijne overstap van poëzie naar een liefdesverhaal uit Vlaanderen.
Moeyaert dicht over hoe woorden tekortschieten in de liefde, Wolkers laat in De walgvogel twee mensen zien die steeds weer naar elkaar toe worden getrokken. Een klassieke roman, heftiger en lichamelijker dan de gedichten.
Bij Moeyaert verschuift in elk gedicht één woord en verandert de betekenis; Margriet de Moor doet iets vergelijkbaars in proza, als een man in de nacht een agenda met zijn eigen naam vindt. Kort, muzikaal en vol dubbele bodems.
Verzamel de liefde probeert de liefde in woorden te vangen en weet dat dat nooit helemaal lukt. In de roman van Arthur Japin wil een zieke, oude Italiaanse filmmaker hetzelfde met beelden, rond een jonge Nederlandse vrouw.