Mat Joubert en Harry Hole zijn verwante rechercheurs: allebei kapot van wat ze verloren, en toch de beste man op de zaak. In dit Oslo-boek jaagt Hole op een reeks moorden met een herkenbaar patroon, net zo rauw en somber als Feniks in Kaapstad.
Net als in Feniks draagt de rechercheur een oude wond mee naar zijn werk. Harry Bosch moet in Los Angeles zijn eigen verleden verdedigen terwijl er nieuwe slachtoffers vallen; een stevig politieonderzoek met een held die weinig zegt en veel voelt.
Joubert sleept in Feniks zijn rouw mee naar elke plaats delict. Dijkzeul geeft haar speurders ook zo'n last: na wat Renée overkwam kan het team van Vegter niet gewoon doorwerken. Hollandser en stiller dan Kaapstad, met evenveel oog voor wat er in rechercheurs omgaat.
Peter Robinson schrijft net als Meyer politieromans waarin het onderzoek geduldig wordt opgebouwd en de inspecteur een mens met twijfels blijft. Banks werkt aan de Engelse kust in plaats van in Kaapstad, met minder vuurwerk maar een vergelijkbare ernst.
Tom Thorne is net als Mat Joubert een rechercheur die het spoor bijster is geraakt en zich weer moet bewijzen. Billingham schrijft Londen even grauw als Meyer zijn Kaapstad, met een zaak die langzaam groter wordt dan iemand verwachtte.
Wie bij Feniks vooral gegrepen werd door de jacht op een moordenaar die een eigen lijst afwerkt, vindt bij Val McDermid een psychologisch nog diepere variant. Profiler Tony Hill en Carol Jordan zitten er dicht op; harder en vooral Brits.
Feniks besteedt veel aandacht aan het verdriet van Joubert; Karin Fossum maakt van dat psychologische een handelsmerk. Haar Sejer werkt rustig en mensgericht in een Noorse omgeving, met minder actie dan Meyer en meer stilte tussen de regels.
Jack Caffery draagt in dit debuut van Mo Hayder net als Joubert een persoonlijk verlies mee terwijl hij in Londen een moordenaar zoekt. Nog donkerder en harder dan Feniks; voor wie het zware randje van Meyer goed kan hebben.
Meyer liet in zijn eerste Joubert-boek een eenzame inspecteur zichzelf terugvinden via één obsessieve zaak. Marsons doet iets vergelijkbaars met Kim Stone, alleen sneller: korte hoofdstukken, een hecht team en een moord die eerst een mislukte overval lijkt.
Meyer zet in Feniks een rechercheteam tegenover een moordenaar die steeds een stap voor lijkt. Bij Patricia Cornwell gebeurt het speurwerk vanuit het lab: Kay Scarpetta leest de sporen op de snijtafel. Forensischer en Amerikaans, met dezelfde gestage opbouw.
Wat Feniks bijzonder maakt, is hoe diep Meyer in het hoofd van een rouwende man kruipt. Straub gaat daar nog verder in, met een veteraan die thuiskomt in een stad vol oude wonden; meer roman dan politieverhaal, voor geduldige lezers.
Net als in Feniks laat een moordenaar hier telkens een eigen teken achter, en moet de politie de logica erachter ontcijferen. Jeffery Deaver maakt er een technische puzzel van met Lincoln Rhyme; sneller en ingewikkelder dan Meyer, met minder rouw.