Opa John is een gulzige, goedlachse man die rare plannen smeedt. Wie hem leuk vond, moet Bomans' oude heer ontmoeten, die met zijn tante van de ene gekke situatie in de volgende belandt; ouderwets taalgebruik, tijdloze humor.
Een opa die met zijn big meesnoept is het soort onzin waar Sjoerd Kuyper ook dol op is. Zijn sprookje over een wonderlijk traag jongetje zit vol overdrijving en woordgrappen, om met het hele gezin om te lachen.
Sassen laat opa John met zijn big flink uit de bocht vliegen, tot Maaike ingrijpt. Bij Annie M.G. Schmidt is het juist het kind dat de boel laat ontsporen, telkens weer, en dat is minstens zo grappig om samen te lezen.
Een big als wedstrijddier bij Sassen, een zebra in de klas van juf Cato bij Gideon Samson: Ariane is gewoon een zebra. Net zo'n grappig en vreemd uitgangspunt, met een warme blik op wie anders is.
Opa John experimenteert met brood en gebak, en in Sassens heksenreeks wordt er gebrouwen met vieze ingrediënten. Dezelfde schrijver, dezelfde absurde humor, met een stoer meisje dat haar zin doordrijft.
Maaike is het buurmeisje van opa John; in Door dik en dun zijn Piet en Riet buren die vrienden willen worden, maar ze durven niet. Rindert Kromhout laat net als Sassen zien hoe buren elkaar langzaam vinden, met weinig woorden en veel plezier.
Opa Johns biggetje wordt bijna een huisdier. Martha Heesen schrijft ook over een dier dat een gezin binnenstapt en een vader met een kind dat ermee aan de slag gaat, rustiger en minder gek dan Sassen.